Opvoeden tot zelfdiscipline

Dit artikel bestaat uit een aantal uittreksels van hoofdstukken van het boek ‘Opvoeden tot zelfdiscipline’ van Thomas Gordon. In het Nederlands is dit boek momenteel niet verkrijgbaar. Het Engelse boek is wel te koop en heet Teaching Children Self Discipline At Home and At School.

HOOFDSTUK 1

Begrippen en betekenissen
In dit eerste hoofdstuk definiëert Thomas Gordon een aantal begrippen en verheldert hij betekenissen. Aan bod komen het werkwoord disciplineren en het zelfstandig naamwoord discipline. Gordon vertelt iets over grenzen, over streng of soepel opvoeden en over 4 vormen van autoriteit/gezag.

Het werkwoord disciplineren
De eerst betekenis van het werkwoord disciplineren heeft te maken met begeleiden, onderwijzen en informeren: hier is men erop gericht kinderen te beïnvloeden.
De tweede betekenis van het werkwoord disciplineren gaat over kinderen bedwingen, beperken, straffen, controleren, overheersen, regeren: dit is een poging kinderen onder de duim te houden.

“Men krijgt meer invloed op jonge mensen als men het gebruiken van zijn macht om te overheersen opgeeft.” ~ T.G.

Het zelfstandig naamwoord discipline
Er zijn 2 soorten discipline te onderscheiden: door anderen opgelegde discipline en er is zelfdiscipline. Discipline kan dus van buitenaf toegediend worden, worden opgelegd door anderen, óf komt vanuit de persoon zelf, van binnenuit. Jongeren met zelfdiscipline zijn altijd diegenen, die een grote mate van persoonlijke vrijheid hebben gekregen. Dit komt omdat deze kinderen de kans is gegeven heel veel eigen keuzes te maken en beslissingen te nemen.

Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. Dit gezegde ken jij vast. Wat denk jij, is hier sprake van zelfdiscipline? Of zou dit een verschijnsel zijn wat zich voordoet bij het wegvallen van opgelegde discipline? 

Grenzen
Dat kinderen grenzen nodig hebben en die grenzen ook willen, is een gevaarlijke halve waarheid, zo legt Thomas Gordon uit. Er is een wereld van verschil tussen de manier waarop jongeren reageren op grenzen die door volwassenen zijn opgesteld, en de manier waarop zij reageren op grenzen waar zij zelf invloed op mochten hebben. In het boek hoopt dr. Gordon de lezer ervan te overtuigen dat het disciplineren van kinderen geen gedisciplineerde kinderen tot gevolg heeft en hij levert daarvoor verderop in het boek de bewijzen.

Streng of soepel opvoeden?
Voor veel ouders en leerkrachten is dit dé vraag waarmee zij worstelen: moet ik streng of soepel zijn? Thomas Gordon noemt dit een pseudo-begrip, dat wil zeggen, een schijnbegrip. Het is een vorm van of-of denken. Er is een uitvoerbaar en effectief alternatief.

4 vormen van autoriteit/gezag
1. Gezag-D
. De eerste vorm van gezag/autoriteit heeft betrekking op iemands deskundigheid, zijn of haar kennis, ervaring, opleiding, vaardigheden of wijsheid. Gordon noemt het voorbeeld dat hij zich laat beïnvloeden door zijn vrouw en dochter, wanneer ze hem erop wijzen dat hij geen goede kledingcombinatie heeft gekozen.
2. Gezag-B. De tweede vorm van gezag/autoriteit heeft betrekking op iemands beroep, titel of positie. Een voorzitter van een commissie heeft het gezag gekregen vergaderingen te openen en te sluiten.
3. Gezag-C. Deze derde vorm van gezag/autoriteit heeft betrekking op informele contracten. Hier kun je denken aan afspraken zoals eerst even kloppen voor je elkaars slaapkamer binnenkomt, of even opbellen als je later komt.
4. Gezag-M. De vierde vorm is gezag op basis van macht, autoritair gezag. Deze vorm van gezag gaat over onder controle houden, domineren, dwingen. Bij dit soort gezag worden beloningen en straffen ingezet. In de andere hoofdstukken in het boek worden de schadelijke effecten van gezag-M uitgelegd.

Tekening door Sara, 18-6-16
Tekening door Sara, 18-6-16

Misverstanden uit de wereld 
Kinderen hebben respect en waardering voor gezag-D en zoeken volwassenen op voor raad en deskundigheid. Gezag B levert ook geen problemen op. Kinderen begrijpen waarom bijvoorbeeld een autogordel om moet. Respecteren kinderen gezag-M? Thomas Gordon gelooft niet dat ze dat ooit doen. Het verschil tussen de eerste 3 vormen van gezag en gezag-M is het verschil tussen invloed en macht, een wezenlijk verschil. Thomas Gordon stelt de vraag of op macht gebaseerde discipline voor de eigen bestwil is van het kind, dat wil zeggen, wordt het door het kind zo gevoeld dat het in zijn of haar belang is? Zijn antwoord daarop is eenvoudig: “Zelden of nooit!”

HOOFDSTUK 2

Waarom macht?
Thomas Gordon beschrijft waarom mensen gezag-M, autoritair gezag, gebruiken. Mensen die dit soort macht gebruiken hopen dat de ander zal doen wat zij willen, gehoorzaam zal zijn. Ze gaan in een positie staan waar ze de baas spelen over anderen en hen dwingen. Hij of zij die macht gebruikt, bepaalt de doelen. Dr. Gordon merkt op dat de intentie hierbij goed kan zijn, deze doelen kunnen het kind ten goede komen. Hiermee verdedigen deze mensen hun handelen: “Het is voor je eigen bestwil, later ben je me dankbaar.” Mensen die macht gebruiken denken dat zij weten wat het beste is voor de ander, omdat ze ouder zijn, wijzer, ervaren, opgeleid en ga zo maar door. Sommigen praten gebruik van macht goed vanuit hun geloof: “De Bijbel leert het, en ik geloof het.” Het komt ook voor dat mensen beweren macht te gebruiken om de ander te helpen, hoewel het dan om hun eigen behoefte gaat. Denk aan een leerkracht die een kind de klas uit stuurt omdat dit kind haar behoefte aan les geven dwarsboomt.

“Zelden komt het voor dat een jongere gebruik van macht ziet als in zijn of haar eigen belang” ~ Thomas Gordon

Hoe komen opvoeders aan macht?
Beloningen en straffen zijn de bronnen van mensen die macht gebruiken. Opvoeders hebben middelen waarmee ze behoeften van kinderen kunnen vervullen én onthouden. Met belonen werkt dat bijvoorbeeld zo: als mijn dochter erg graag een nieuwe trui wil, kan ik haar beloven dat ze die krijgt als ze een week lang elke dag haar kamer opruimt. Dit is macht gebruiken door iets te beloven dat haar behoefte vervult. Een andere bron is het kind te weigeren waaraan hij of zij behoefte heeft, hem of haar pijn te doen of ongemak te bezorgen: het kind straffen. Als ik bijvoorbeeld wil dat mijn zoontje zijn groenten opeet, kan ik dreigen met: “Je blijft aan tafel zitten tot het op is en je krijgt geen toetje.” Hoe jonger kinderen zijn, hoe meer middelen volwassenen hebben om hen te belonen en te straffen. Misschien herinner jij je dit uit je kinderjaren?
Playmobiel foto gezinHoe belonen werkt
Er zijn 3 voorwaarden nodig, willen beloningen werken: 1. Het kind moet iets heel graag willen of nodig hebben om dat te doen wat de volwassene graag wil. 2. De beloning moet door het kind gezien worden als mogelijke vervulling van een behoefte. 3. Het kind moet voor de beloning afhankelijk zijn van de volwassene, zelf niet in staat zijn of haar behoefte te vervullen. Er zijn 2 manieren om beloningen te gebruiken: je kunt vooraf een beloning beloven en achteraf een beloning geven. Bij vooraf beloven gaat dat bijvoorbeeld zo: “Als je nu naar bed gaat, lees ik een verhaaltje voor.” Je kunt ook wachten tot het kind gewenst gedrag laat zien en dan de beloning geven. Bijvoorbeeld: een leerkracht wil dat een kind stopt met van z’n plaats komen. Als hij ziet dat het kind op zijn plaats blijft, glimlacht hij en zegt: “Goed gedaan hoor, dat je zo netjes blijft zitten!” Er zijn heel wat termen voor het gebruiken van belonen: positief bekrachtigen, gedragsvorming, operante conditionering, gedragsbesturing etc. Belonen is een heel complexe methode die veel tijd kost, het vereist een hoog niveau van technische kennis over het correct toepassen ervan.

Beloningen klinken positief en kunnen succes hebben, maar: gedragscontrole d.m.v. belonen roept ongunstige effecten op bij kinderen. Deze effecten worden door de meeste ouders en leerkrachten als zeer ongewenst ervaren.

Hoe straffen werkt
Ook hier zijn weer 3 voorwaarden nodig, wil straf werken: 1. Straf moet door het kind als schadelijk/kwetsend, ongewenst worden ervaren, het moet niet stroken met zijn of haar behoeften. 2. De straf moet zó nadelig zijn voor het kind dat hij of zij het ongewenste gedrag opgeeft. 3. Het kind moet niet kunnen ontsnappen aan de situatie waarin het gestraft wordt, of het moet afhankelijk zijn van de volwassene voor zijn behoeften en daardoor gevangen zitten in de relatie. Straffen is op 2 manieren te gebruiken: je kunt er vooraf mee dreigen, of straf geven als gevolg van gedrag. Met dreigen gaat dat bijvoorbeeld zo: “Als je hier niet onmiddelijk mee ophoudt krijg je een pak slaag.” Als het achteraf wordt gegeven kan het zo gaan: “Je bent naar het park gegaan met je fiets en ik had gezegd dat het niet mocht, dus gaat de fiets nu een week achter slot en grendel.” Ook bij straffen zien we weer allerlei andere benamingen: disciplineren, gedragsmodificatie, vermijdingstraining, gedragsbesturing, enzovoort. Wil straffen het effect hebben dat de volwassene voor ogen heeft, zijn er ook weer complexe voorwaarden nodig die deze methode even moeilijk maken als belonen.

Ook bij straffen zien we ernstige verschijselen waarvan de belangrijkste zijn dat het kind lichamelijk en geestelijk wordt gekwetst en de relatie tussen volwassene en kind wordt geschaad.

Tot het niet meer werkt
Belonen en straffen is een kwestie van behoeftenvervulling en behoeftenonthouding die door de volwassene wordt geregeld. De volwassene is de baas en de relatie ongelijkwaardig. Als kinderen groter worden en in hun eigen behoeften kunnen voorzien, verliezen veel ouders een groot deel van deze macht. In gezinnen zien we tieners die in verzet komen tegen macht. Ouders vragen zich verbijsterd af hoe ze de controle over hun kind zijn kwijtgeraakt. Thomas Gordon merkt op dat relaties die zijn gebaseerd op macht, heel onstabiel zijn, omdat ze juist díe reacties voeden die deze macht uithollen.

“Je kunt alleen macht over anderen gebruiken, als je hen afhankelijk van je houdt, bang, en niet in staat aan de relatie te ontsnappen.” ~ Thomas Gordon

Wat zeggen opvoeddeskundigen?
De meeste opvoedings- en onderwijsboeken en trainingsprogramma’s moedigen het gebruik van beloningen, inclusief prijzen, aan. Ook straffen worden goedgekeurd.* Een andere groep leert ouders ‘natuurlijke’ of ‘logische’ gevolgen te gebruiken. Thomas Gordon beschrijft een voorbeeld waarin een kind na het avondeten thuiskomt. Voorstanders van ‘logische gevolgen’ zouden het kind dan zonder eten naar bed kunnen laten gaan. Maar Thomas Gordon ziet dit als straf; een écht logisch gevolg zou zijn dat het eten koud is geworden en moet worden opgewarmd. Thomas Gordon heeft ervoor gekozen deze ‘logische gevolgen’ geen plaats te geven in het Gordon® model.

Tegenstrijdig 
Straffen werkt alleen als de straf pijnlijk is voor een kind en vaak wordt gegeven, zo blijkt uit onderzoek. Hoe tegenstrijdig is het wanneer opvoeddeskundigen vertellen dat opvoeders die straf mild moeten maken en er spaarzaam mee te zijn? Ook wordt ouders het advies gegeven niet te straffen als ze boos zijn. Maar dit idee staat ook haaks op onderzoeksresultaten, die laten zien dat straf, wil het effectief zijn, direct moet volgen op het onaanvaardbare gedrag en streng moet zijn.

Externe en interne controle
Ouders en leerkrachten die belonen controleren daarmee het uiterlijke gedrag van kinderen. Opvoeders die kinderen stimuleren zelf hun eigen plezierige gevolgen te vinden (intrinsieke beloningen), helpen hun kinderen innerlijke controle te ontwikkelen. Op dezelfde manier gebruiken ouders en leerkrachten die straffen, externe beheersing. Dit is het tegenovergestelde van innerlijke beheersing of zelfdiscipline. Dr. Gordon betreurt het dat we in onze maatschappij zó weinig doen om zelfdiscipline te bevorderen.

*Opvoedprogramma’s in Nederland in 2016 adviseren voor zover ik weet alleen niet-lichamelijke straffen te gebruiken, vaak worden daarvoor andere termen gebruikt, bijvoorbeeld ‘disciplineren’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *